Om te kunnen spreken zijn goed werkende spieren, zenuwen en hersenen nodig. Wanneer je iets wilt zeggen, wordt er eerst een ‘idee’ gemaakt in de hersenen. De hersenen maken hier klanken en woorden van. De hersenen geven dit via de zenuwbanen door aan de spieren. Hierna moeten de zenuwen ervoor zorgen dat de spieren de juiste klanken maken. Er zijn maar liefst meer dan 150 spieren betrokken bij het uitspreken van een woord. Soms gaat er iets mis in de samenwerking van de hersenen, spieren en zenuwen. De zenuwen reageren bijvoorbeeld te traag op de signalen vanuit de hersenen. De woorden zitten dan wel in je hoofd maar het lukt dan niet om deze vloeiend uit te spreken. Dan spreken we van stotteren.

 

Wat doet de logopedist?

Eerst wordt er onderzoek gedaan en gekeken in welke situaties het stotteren ontstaat en/of verergert. Daarnaast wordt er gekeken naar welke soort stotters er worden gemaakt. Het stotterpatroon wordt (in verschillende situaties) duidelijk in kaart gebracht. Hierna starten we met de behandeling.

Stotteren zorgt vaak voor negatieve gedachten en gevoelens over het praten. Kinderen worden onzeker en durven niet meer te spreken. Behandeling staat dus als eerste in het teken van het vergroten van het zelfvertrouwen, het wegnemen van de angst en het weer durven spreken.

Wanneer dit bereikt is kunnen er verdere stappen worden gemaakt. Samen proberen we er voor te zorgen dat het stotteren gemakkelijker gaat en dat er minder spanning ontstaat tijdens het spreken. Hierbij is het erg belangrijk om samen te werken met ouders en leerkrachten.