"Normaal gesproken" is er een functioneel evenwicht tussen de werking van de spieren in en rond de mond. De kauwspieren, de tong, de lippen, de kinspieren etc. oefenen daarbij ieder functionele krachten uit op het gebit. Als bepaalde spieren of spiergroepen dus niet goed functioneren, heeft dit vrijwel altijd een direct gevolg voor de vorm van het gebit en/of de kaken. Vaak is dan ook de spraak verstoord.

Indien uitsluitend de spraak afwijkend zou zijn, kan de logopedist veelal uitkomst bieden. Indien echter de kaken, de tanden en kiezen en/of het kaakgewricht bij het probleem betrokken zijn, kan de logopedist alleen geen blijvend resultaat bewerkstelligen. Het DOEL van de Myofunctionele therapie is dus het weer in evenwicht brengen van alle mondspieren door middel van oefeningen en het afleren van verkeerde reflexen, zodat vorm en functie van kaken en tanden/kiezen weer hersteld kunnen worden.
 
Myofunctionele therapie pakt daarmee de oorzaak aan van een of meerdere problemen en niet alleen de gevolgen van het verkeerde evenwicht. Met andere woorden: een oorzaak wordt weggenomen, zodat andere therapieën zoals orthodontie, logopedie of een kaak correctie later een blijvend resultaat zullen kunnen opleveren.

Een aantal voorbeelden:
- Kinderen die lispelen (de tong wordt dan geheel of gedeeltelijk tussen de voortanden geperst) hebben een zogenaamde open beet: de voortanden vallen niet over elkaar heen. Kinderen die slissen, waarbij de klanken aan de zijkant in de mond ontstaan (bij de kleine kiezen) hebben vaak een zijdelingse open beet. Door middel van orthodontische behandeling kunnen dergelijke open beten gesloten worden en de tanden komen weer mooi in de rij te staan. Soms zien we soms na verloop van tijd echter weer een open beet ontstaan, omdat verzuimd is de oorzaak van de open beet, in dit geval een verkeerde tongpositie, weg te halen.
 
- Hardnekkig mondademen veroorzaakt vaak sterk vooruitstaande voortanden. Omdat de   lippen niet gesloten zijn, drukken ze niet achterwaarts tegen de tanden. Daardoor gaan de voortanden, mede door de voorwaartse druk van de tong, naar buiten staan.

- Kinderen of volwassenen die een afwijkend slikpatroon hebben, waarbij de tong naar buiten komt tijdens het slikken, hebben op de plaats waar de tong naar buiten komt een open beet, de tanden raken elkaar niet.
 
In zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat afwijkend mondgedrag veel tandheelkundige, orthodontische en logopedische afwijkingen kan veroorzaken. Het vroegtijdig herkennen en afleren van dit afwijkend gedrag kan veel ellende later besparen.

Gewoonten die afwijkingen kunnen veroorzaken:
- Zuiggewoonten: Te vaak of te intensief (ook bij oudere kinderen of volwassenen) duim- of vingerzuigen. Ook tong- en lipzuigen komt voor. Een te lang of te intensief gesabbel op een speen valt ook onder afwijkende zuiggewoonten. Het is algemeen bekend dat afwijkend zuiggedrag leidt tot een afwijkende stand van tanden en/of kaken.
 
- Mondademen: De functie van de neus bestaat onder andere uit het bevochtigen, verwarmen en reinigen van de ingeademde lucht. Bij mondademen vervalt deze gunstige eigenschap. De gevolgen zijn vaak terugkerende infecties in de keel, van amandelen of zelfs middenoorontstekingen. Vaak zien we bij mondademen dat ten gevolge van het wegvallen van de druk van de lippen op de tanden, de voortanden naar voren gaan staan. Tevens komt een smal verhemelte voor en in meer of mindere mate kwijlen.
 
- Bijtgewoonten, bv. vinger-, nagel- of lipbijten; of klemmen, knarsen e.d. Dit kan schadelijke invloed hebben op het kaakgewricht waardoor spieren overbelast worden. Andere spiergroepen in de mond zullen daar ook nadelige gevolgen van kunnen ondervinden.
 
- Afwijkend slikgedrag: Afwijkend slikgedrag gaat meestal met tongpersen gepaard, naar voren of opzij. De afwijkende houding van de tong heeft grote gevolgen voor het vermalen van het voedsel, het vormen van een goede voedselbrok en het slikken. Tenslotte heeft het gevolgen voor de spraak. Een afwijkend slikpatroon heeft vrijwel altijd gevolgen voor de stand van de tanden of kiezen en de vorm van de kaak.
 
Bovenstaande afwijkingen veroorzaken een verstoring van het evenwicht tussen de mondspieren onderling (lippen, kauwspieren, tong en tongspieren) en dus zal de vorm van de kaken (en de stand van de tanden en kiezen) zich aan dit verkeerde evenwicht aanpassen. Met andere woorden: de (in dit geval verkeerde) functie van de spieren geeft een (in dit geval verkeerde) vorm van de kaken. Willen we dus de vorm van de kaken veranderen dan zullen we moeten beginnen met het veranderen van de functie van de betrokken spiergroepen. Dit heet Myofunctionele therapie.

Wanneer Myonfucntionele therapie?
Wanneer kunt u zien dat er sprake is of kan zijn van een verkeerd evenwicht van de mond- en aangezichtsspieren of van een verkeerd slikpatroon? Indien er sprake is van een of meer van de onderstaande verschijnselen:
 
-  mondademen;
-  verkeerde stand van tanden, kiezen of kaken;
-  indien na orthodontische of kaakcorrigerende behandelingen de "verholpen" afwijking weer (gedeeltelijk) terugkomt;
-  duimzuigen, vingerzuigen, speenzuigen etc. waar eigenlijk niet van af te komen is;
-  indien er bij een volwassen cliënt duidelijke problemen zijn bij het op zijn plaats blijven zitten van een overigens perfect vervaardigde  
   gebitsprothese;
-  indien er sprake is van "slappe" lipspanning;
-  indien er sprake is van een smal en hoog verhemelte;
-  bij spraakmoeilijkheden, bv. lispelen of slissen;
-  bij moeilijkheden met slikken of eten;
-  indien er sprake is van een verkeerde tongpositie in rust (bv. lage tongligging in rust);
-  bij kaakgewrichtsklachten.
 
Spierdrukmetingen kunnen uitwijzen of er inderdaad sprake is van een verkeerde balans tussen de spieren. Andere metingen zullen zichtbaar kunnen maken of de tong een verkeerde positie in de mond inneemt. Ten overvloede moet gesteld worden dat een afwijkende vorm een aangepaste spierfunctie opgeleverd kan hebben, zodat het geheel niet schadelijk hoeft te zijn voor tanden, kiezen, kaken en kaakgewricht. Indien blijkt dat de gevonden afwijkingen verband met elkaar houden en wel een schadelijke invloed op hun omgeving uitoefenen, dan is Myofunctionele therapie geïndiceerd.
 
Wanneer kunnen we beginnen met de Myofunctionele therapie?
Dat hangt af van:
- De leeftijd. De meningen lopen hierover uiteen. Sommigen noemen 5 jaar, anderen 8 jaar. Dit hangt in eerste instantie af van de
  motivatie van de cliënt . Het ene kind is zich eerder bewust van verkeerde gewoonten dan het andere en het ene laat zich eerder
  behandelen dan het andere. 
- De motivatie. Langdurig ingeslepen gewoonten moeten veranderd worden en de aangeleerde nieuwe functie moet ingebouwd worden in
  het "normale" leven. Dit vereist een enorme motivatie van zowel de cliënt als van de ouders.
- De ernst van de tandheelkundige afwijking. De vorm van gebit en kaak kan zo afwijkend zijn dat bv. neusademen niet mogelijk is. Een
  ondoorgankelijke neus of bv. ernstig vergrote amandelen kunnen eveneens een neusademen onmogelijk maken. Bovendien kan een
  verkeerd mondgedrag de afwijking alleen nog maar verergeren. Duidelijk is dat er in bovenstaande gevallen sprake moet zijn van goede
  samenwerking tussen arts, tandarts, Myofunctionele therapeut en orthodontist of KNO-arts.
- De ernst van de logopedische afwijking. De mate waarin het afwijkende mondgedrag het normale eet- en drinkpatroon en de spraak
  beïnvloedt, zal medebepalend zijn voor het tijdstip waarop met Myofunctionele therapie begonnen moet worden.
 
 In de praktijk zal de Myofunctionele therapie dus bestaan uit:
-  het afleren van zuiggewoonten: duim-, vinger-, speen-, tong-, of lipzuigen;
-  het afleren van mondademen;
-  het aanleren van een goede slikgewoonte;
-  oefeningen ter beperking van kaakgewrichtsklachten;
 
Myofunctionele therapie omvat gemiddeld 15 - 20 consulten (dit kan individueel sterk verschillen); eerst wekelijks, daarna met langere tussenpozen. Na afloop van de behandeling vinden er na langere tijd nog controles plaats.
 
OMFT kan gestart worden op verschillende leeftijden, afhankelijk van de ontwikkeling van het kind, de soort en ernst van de afwijking, de medewerking van de ouders en uiteraard het tijdstip van verwijzing. Veelal worden cliënt en doorverwezen als al een orthodontische behandeling is aangevangen. Dit belemmert vaak het correcte uitvoeren van oefeningen ter bevordering van de mondsluiting. In overleg met de tandarts en orthodontist zou de aanvang van OMFT vervroegd kunnen worden naar de leeftijd van 6 - 9 jaar. Onderzoek door bv. LinderAronson heeft uitgewezen dat de OMFT behandeling optimaal effect heeft tijdens de eerste wisselfase (= 6 - 8 jaar).